Alain de Botton – De kunst van het reizen (De Tijd)


Een reisgids voor de melancholicus

Er gaapt een lelijke kloof tussen de belofte van maagdelijk witte stranden in vakantiefolders en de uiteindelijke reiservaring. De zweterige drukte in toeristenoorden en het gekibbel met onze reisgenoten kunnen een behoorlijke domper op de feestvreugde zetten. Europa’s meest beminnelijke filosoof-romancier, Alain De Botton, meent dat reizen een kunst is. In ‘De kunst van het reizen’ gaat hij ten rade bij een aantal kunstenaars en denkers, die ons leren hoe te reizen en waarom.

Kathy Mathys

Alain De Botton debuteerde in 1993 met ‘Proeven van liefde’, een cerebrale getuigenis van de opbloei en het failliet van een romance. Zijn ontleding van de relatie werd op een slimme manier doorspekt met bevindingen van Aristoteles, Wittgenstein en Proust. Ook in zijn twee volgende romans, ‘De romantische school’ en ‘De biograaf’, werd het narratieve element overstemd door verfijnde analyse. Geen wonder dat de jonge auteur, die al gauw het predikaat ‘Dr.Love’ kreeg, het romangenre vervolgens de rug toekeerde. Zijn eerste uitstapje als essayist, ‘Hoe Proust je leven kan veranderen’ was meteen een schot in de roos. De Botton ontsloot een aantal aspecten uit Prousts ontoegankelijke meesterwerk, ‘Op zoek naar de verloren tijd’, voor een breed publiek. De Franse klassieker is immers niet enkel een structurele tour de force, maar leert ons heel wat over vriendschap, liefde en levenskunst. In opvolger, ‘De troost van de filosofie’, trachtte De Botton dan weer de hedendaagse relevantie van een aantal van zijn geliefde filosofen aan te tonen. Zijn aandacht ging vooral uit naar denkers uit de antieke oudheid, omdat die het meest belangstelling hadden voor de praktische functie van de wijsbegeerte. Hier en daar werd deze ‘light’ filosofie snoevend onthaald. De Bottons werk drijft inderdaad vooral op een verleidelijke, elegante stijl en zijn ideeën zijn zelden innoverend. Toch transformeert hij op een meesterlijke wijze bekende waarheden tot vinnige aforismen.
Waren zijn twee vorige werken geestige alternatieven voor het zogenaamde zelfhulpboek, dan is ‘De kunst van het reizen’ De Bottons antwoord op de imperatieven uit de ‘Groene Michelin’. Hij wisselt zijn eigen, vaak frustrerende, lotgevallen op reis af met de ideeën van een reeks experts ter zake.

Voorbereiding

De Bottons verhaal begint in Barbados. De exotische vakantie wordt grotendeels vergald door de dwingende beelden van palmboomstranden, die hij tijdens het anticiperen koesterde. Een haar van een vroegere hotelbezoeker op het bedlinnen en de kribbige buien van zijn partner, M, lijken de idylle te willen dwarsbomen. J.K. Huysmans adresseerde het probleem van de anticipatie in zijn roman uit 1884, ‘Tegen de keer’. Zijn held fantaseerde, tijdens het doorbladeren van een reisgids, over een trip naar Londen maar zag uiteindelijk af van zijn plan. Hij meende dat de essentie van een bestemming beter gevat werd in een kunstwerk dan in de realiteit. De Botton voelt weliswaar sympathie voor Huysmans’ personage maar vindt vooral dat we ons bewust moeten zijn van de mechanismen, die werkzaam zijn bij het bekijken van kunstwerken. Ze kunnen te hoge verwachtingen oproepen, maar ze kunnen ons ook sensibiliseren voor schoonheid. Hij haalt het verhaal aan van Van Gogh, die de Provence op een nooit eerder geziene manier portretteerde. De Botton ontdekt de charme van de Provence pas nadat hij Van Goghs werk heeft bestudeerd.
Voor heel wat reizigers vormen de vlieghavens, stations en motels op weg naar het paradijs, een lastig obstakel. De Botton houdt wel van de poëzie van het wegrestaurant, waar de schreeuwerige reclameslogans – gratis ui bij een reuze hot dog – schrijnend contrasteren met de melancholie van de eenzame reizigers. In Charles De Baudelaire, die steeds meer gefascineerd was door de trektocht dan door de bestemming, vindt De Botton een zielsverwant. Ook Edward Hopper wist deze droefgeestige overgangsoorden op een meesterlijke wijze vast te leggen in zijn schilderijen.

Drijfveren

Volgens De Botton zijn er drie redenen om te reizen: onze hang naar het exotische, nieuwsgierigheid en de lokroep van de natuur.
De Bottons eigen zoektocht naar het exotische leidt hem niet naar broeierige oorden, maar naar Nederland. In de luchthaven staart hij gefascineerd naar het woord ‘aankomst’, dat met zijn twee opeenvolgende a’s, bizar maar ook aantrekkelijk lijkt voor een Engelstalige buitenstaander. Hij meent dat deze kleine eigenaardigheden ons kunnen binden aan een plaats. Hij gaat houden van Nederland om de trams en omdat huizen er zelden gordijnen hebben. Gustave Flaubert reikt hij aan als de autoriteit op gebied van het exotische. De Franse schrijver verveelde zich als kind al stierlijk in Rouen en fantaseerde over het verre Oosten. Flauberts bezoek aan Alexandrië zou hem levenslang bijblijven. De geest van de stad, met zijn chaotisch ritme en zijn zinnelijke cultuur, sloot beter aan bij Flauberts natuur dan die van Frankrijk.
De prikkeling van nieuwe culturen ontdek je zelden met een standaardreisgids. De Botton voelt heel wat sympathie voor de reiziger, die zijn eigen ervaringen niet kan spiegelen aan de dominante toon van een reisgids. Die smoort immers elke spontane waardering in de kiem. In Madrid sluit een ontmoedigde De Botton zich op in zijn hotelkamer, omdat de voorgekauwde lijst van musts zijn nieuwsgierige geest verlamt. Hoe kan je als reiziger nog gedreven blijven als alles reeds werd ontdekt en voorgeproefd? Een pasklaar antwoord heeft De Botton niet, maar hij is ervan overtuigd dat je tijdens de reiservaring ergens een antwoord moet vinden op vragen, die je bezig houden. Een willekeurig allegaartje van kerken en architecturale hoogstandjes kunnen geen mens echt fundamenteel boeien.
Naast exotisme en nieuwsgierigheid, is het de natuur die ons op pad jaagt. De Botton trekt voor een aantal dagen naar de Lake District. Vanaf de 2de helft van de 18de eeuw werd dit een populaire bestemming voor de Engelse adel en later ook voor de middenklasse. William Wordsworth bezong de glorie van de natuur in zijn poëzie. Zijn waardering voor dieren en bloemen werd aanvankelijk nog spottend onthaald door Lord Byron, die meende dat poëzie hogere doelen had. Wordsworth was ervan overtuigd dat het geïndustrialiseerde Engeland de ziel zoveel schade toebracht, dat de mens wel zijn toevlucht moest nemen tot de natuur. De confrontatie met nieuwe dieren zou onze perceptie van het leven voor altijd bijstellen. De Botton, die zich in de natuur duidelijk wat onwennig voelt, gelooft niet dat de opgedane indrukken zo een fundamentele stempel kunnen drukken. Tijdens een trip naar de Sinai-woestijn hoopt hij een glimp te kunnen ontwaren van ‘het sublieme’. Ook tijdens de 18de eeuw gingen kunstenaars en poëten in de natuur op zoek naar fundamentele, transcendentale ervaringen van het overweldigende, het woeste. Liefelijke zonovergoten taferelen waren hiervoor niet geschikt en meestal ontstonden gewaarwordingen van het sublieme in ruwe landschappen.
Niet alleen kunstenaars wilden al vanouds schoonheid vastleggen in hun werk. Ook hedendaagse reizigers proberen vast te houden aan hun ervaring door gretig te fotograferen. De 19de-eeuwse John Ruskin verwierp het gebruik van de camera, omdat dit vaak het kijken zelf verving. Schoonheid diende je al schetsend vast te leggen. Zelfs de meest onbeholpen tekenaar kan met behulp van een potlood en schetsboek zijn perceptie van de wereld verfijnen. Niet enkel vreemde bestemmingen leer je hierdoor meer te appreciëren, maar ook je dagelijkse omgeving. Terug in Hammersmith trekt De Botton op pad in zijn buurt en toetst hij Ruskins theorie aan de praktijk. De schrijver verklaart zijn enthousiasme voor de methode. Zijn essay besluit hij dan ook met de vaststelling dat het welslagen van een reis weinig te maken heeft met de bestemming, maar met onze ingesteldheid en onze visie op de wereld.

Déjà vu

Een flinke dosis gezond verstand en een paar reiservaringen volstaan om tot De Bottons conclusie te komen. Zijn ideeën zijn opnieuw weinig origineel, maar zijn korte biografieën van kunstenaars zijn verhelderend. Dat hij zich af en toe aan simplificaties bezondigt, doet geen afbreuk aan het opzet van zijn boek. Zo wordt de romantische literatuurbeweging op een ongenuanceerde wijze gekoppeld aan de rijzende populariteit van natuurreizen. Alsof Wordsworth alleen deze volksverhuis bewerkstelligde. Toch wordt deze destillatie gerechtvaardigd door De Bottons intenties. Hij schrijft geen economische of sociale geschiedenis maar wil inzicht bieden in de manier waarop we reizen. Wel kunnen bezwaren geopperd worden tegen de thematiek, omdat hij die reeds eerder en vaak beter behandelde. Zijn betoog over perceptie, dat zowat de ruggengraat vormt van ‘De kunst van het reizen’, deed hij al eerder in ‘Hoe Proust je leven kan veranderen’. Prousts hoofdpersonage droomde van een bezoek aan de Normandische kust. De uiteindelijke confrontatie met de werkelijkheid werd verstoord door gotische schilderijen van de plek, die de jongen van kindsbeen af begeesterden.
Ook met de fel bejubelde stijl van De Botton loopt het hier af en toe fout. De zorgen, die ook tijdens een vakantie vaak de kop opsteken, worden hier nogal voorspelbaar vergeleken met regenwolken die zich vormen aan de Ierse kust. Echt potsierlijk wordt hij in zijn beschrijving van treinreizen als ‘de vroedvrouwen van onze gedachtestroom’. De Botton heeft duidelijk het meest affiniteit met de transitieoorden, die met de vakantiepret zelf weinig te maken hebben. Hij was ook even van plan om een volledig werk aan dit thema te wijden. Misschien had hij dit beter gedaan, want de schrijver lijkt niet echt een gedreven reiziger. Ondanks zijn enthousiaste uiteenzettingen over Amsterdam en de Provence, zijn het toch vooral de mistroostige scènes van de Lake District en de mislukte trips naar Barbados en Madrid, die blijven hangen. De Botton heeft duidelijk niet dezelfde liefde voor zijn onderwerp, als in zijn vorig werken.
Opnieuw blijkt dat de nog jonge auteur vertrouwd is met de literaire canon. Zijn persoonlijke voorkeur vertaalt zich in de keuze van de experts, die bijna allen stammen uit de 18de- of 19de eeuwse Franse of Engelse kunstwereld. Zijn focus op reizen is dan ook vrij gelimiteerd. Het is een eurocentrische visie, die resulteert in een ‘grand tour’ van het continent voor de 21ste eeuw. Ondanks de boeiende ideeën van Baudelaire, Ruskin en Wordsworth, vraag je je als lezer toch af wat niet-Europese schrijvers over de kunst van het reizen te vertellen hebben. Met ‘De kunst van het reizen’ speelt De Botton teveel op veilig en weet hij niet echt meer te verrassen of te charmeren.

Alain De Botton, De kunst van het reizen
Uitgeverij Atlas, 2002
ISBN : 9045006561
19.5 euro